Dit artikel is een vervolg op deel 1 dat vooral een introductie biedt. Hier wordt verder ingegaan op de bestudering van het artikel van Ulrich Abel uit 1992 - Chemotherapy of Advanced Epithelial Cancer - A Critical Review.

In de introductie stelt Abel dat er meerdere redenen zijn waardoor de verhalen over het succes van chemokuren voor de lokale vormen van kanker met een korreltje zout genomen dienen te worden. Zo wordt gesuggereerd dat sinds de komst van de chemokuren mensen met kanker een langer leven hebben. Abel stelt dat in deze periode de diagnostische methodes eveneens zeer zijn verfijnd waardoor kanker ook in een veel vroeger stadium kan worden geconstateerd dan daarvoor. 

Het is dan ook maar zeer de vraag of mensen echt daadwerkelijk langer leven, het kan zomaar zijn dat het moment waarop mensen met kanker worden gediagnostiseerd eerder is dan voorheen en daardoor alleen al langer met kanker kunnen leven, ongeacht of een chemokuur wordt toegepast of niet.

Abel noemt verder ook dat er in verschillende onderzoeken verschillen zijn in de soort ondersteuning die wordt geboden, de methodes van observatie en de wijze van follow-up. Abel maakt een onderscheid tussen directe en indirecte bewijzen voor de effectiviteit van chemotherapie. Onder directe bewijzen verstaat hij o.a. gerandomiseerde onderzoeken waarbij het enige verschil tussen de chemotherapiegroep en de controlegroep bestaat uit het gebruik van het farmaceutisch product. Andere directe bewijzen zouden kunnen ontstaan uit het doen van dosis-afhankelijk onderzoek; ook kan tot directe bewijzen gerekend worden die onderzoeken die verschil in effecten meten bij mensen die óf pas bij klachten chemo krijgen, of bij mensen die onmiddelijk beginnen met chemotherapie (zie tabel 1, onder)
 



Zoals je kunt zien is er eerder direct bewijs (-) dat chemotherapie een negatief effect heeft dan een positief effect, behalve bij kleincelkanker in de longen, en enigszins voor niet-kleincellongkanker. Abel merkt op dat er voor veel gevallen in het geheel geen onderzoek is gedaan. Wellicht is dat inmiddels veranderd aangezien het onderzoek stamt uit 1992 maar opmerkelijk lijkt het me zeker.

De nodige onderzoeken beweren indirecte bewijzen te leveren. Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld de onderzoeken waarbij middel A wordt vergeleken met een ander middel B, of waarbij er niet gerandomiseerde groepen met elkaar zijn vergeleken. Ook daar wordt niet veel positiefs geconstateerd door Abel, buiten dan opnieuw de kleincellongkanker en dit keer ook eierstokkanker:



BEPERKTE TOEGEVOEGDE WAARDE CHEMOTHERAPIE NAAST STRALINGSTHERAPIE
Abel stelt op basis van een onderzoek van Malik (zie bijgevoegde pdf, nr.84) dat over het algemeen bestraling mét chemokuur effectiever is dan bestraling zonder chemokuur. Het effect echter stemt echter tot nadenken omdat de levensverwachting hierdoor met slechts drie maanden wordt verlengd. Abel stelt dan ook de vraag of de voordelen van drie maanden langer leven opwegen tegen de nadelen van de chemokuurbijwerkingen.

Daarnaast zijn er ook studies die juist een negatief effect vinden van de combinatie chemokuur en bestraling. Het gaat dan om bestraling in het gebied van de borstkas en nek (zie Laing et. al, nr.77)
 
HOGE DOSIS CHEMO NIET EFFECTIEVER DAN LAGERE DOSIS
In het artikel zegt Abel dat er geen aanwijzingen zijn voor meer effect indien er meer toxische chemicaliën worden toegevoegd. Er is zelfs een onderzoek dat geen groter effect vindt als mensen gewoon thuis orale medicatie nemen in vergelijking met intraveneuze toediening in het ziekenhuis (Harris et al, nr. 53).
 
OOK EFFECTEN VAN KLEINCELLONGKANKER ZEER KORTDURIG
Ook al is er bij kleincellongkanker zowel direct als indirect bewijs dat chemokuur aanslaat, vaak is het verschil niet meer dan een aantal weken, en vaak eindigt het effect ook bij beëindiging van de chemobehandeling. Abel stelt dan ook dat het verstandig kan zijn om chemotherapie uit te stellen als patiënten geen ernstige symptomen vertonen.
 
KANKER AAN DIKKE DARM 
Met betrekking tot deze vorm van kanker zijn er geen gerandomiseerde studies gedaan met controlegroepen zonder cytotoxische behandeling. Er treedt hoogst zelden remissie op. Abel haalt twee studies aan waarbij de ene (Hines & Dykes, 59) geen effecten vindt, en een andere wel (nr 123). Bij deze laatste geldt echter dat het effect na 2 jaar ook verdwenen is. 
 
MAAGKANKER
Voor wat betreft vergevorderde maagkanker zijn er slechts drie gerandomiseerde onderzoeken die zich bezighouden met de vraag of chemotherapie een bijdrage levert aan overleving of niet. Ook hier geldt weer dat er soms geen effecten zijn aangetoond en anders een verbetering in combinatie met bestraling, maar ook hier was het effect hooguit een levensverlenging van enkele maanden.

PANCREASKANKER 
Ook voor alvleeskanker zijn drie gerandomiseerde onderzoeken gedaan. De resultaten van deze onderzoeken zijn onduidelijk. In een onderzoek werd wél een positief effect gemeten van chemotherapie, maar bij dit onderzoek (nr 87) waren er bij 14 van de 40 gevallen  geen weefselbevestigingen gevonden. Van deze 40 waren er 15 die echt duidelijk een tumormanifestatie hadden. Frey et al (nr. 44) vond bij 152 mannen (waarbij allen ook waren bevestigd in het weefsel) in het geheel geen effect. Er werd zelfs een negatief verband gevonden: de overlevingskans was zelfs een maand korter dan de controlegroep.
 
Het artikel van Abel omvat 14 pagina's, waarvan er nu zo'n 5 zijn verwerkt in deze twee artikelen. Om de artikelen hanteerbaar te houden qua omvang komen er nog andere artikelen.
 
Illustraties respectievelijk afkomstig van Gezondheidsnet en Thinkquest